Uit de praktijk

Hoogte balustrade: Wat is toegestaan?

Tijdens de uitvoering van een NEN2767-RgdBOEI inspectie aan een woon-zorgcomplex in Noord-Holland, door één van onze Integraal Inspecteurs Vastgoed (IIV), treft de inspecteur een interessante situatie omtrent de hoogte van een balustrade aan.

Het geïnspecteerde object is gebouwd in 1985 en is aan de achtergevel voorzien van een dakterras. Als afscheiding van het dakterras is een gemetselde borstwering met een verzinkt stalen balustrade aangebracht. De positie van deze balustrade bevindt zich op de buitengevellijn van het gebouw, waarbij de ondergelegen bestrating zich circa 10m lager bevindt dan het niveau van het dakterras.

De gemetselde borstwering van het dakterras is afgewerkt met betonnen muurafdekkers. De bovenzijde van deze betonnen muurafdekkers bevindt zich op 0,73m boven het niveau van het dakterras. De bovenzijde van de stalen balustrade bevindt zich op 1,34m boven het niveau van het dakterras.

Het dakterras is vrij toegankelijk. In verband met de onderhoudsgevoelige bouwkundige elementen, wordt er bovendien periodiek onderhoud verricht aan het dakterras en de balustrade. De balustrade is eenvoudig te beklimmen en over te klauteren met alle gevolgen van dien. Op het dak zijn geen verdere dakveiligheidsvoorzieningen aangebracht.

De vraag die onze inspecteur had was dan ook of de hoogte van deze balustrade, mede gelet op de opklimmogelijkheid, is toegestaan volgens de wet- en regelgeving?

De balustrade dient in deze situatie als vloerafscheiding te worden beschouwd. Een bestaand gebouw dient namelijk voorzieningen te hebben welke weerstand bieden tegen het overklauteren. Hierdoor kunnen mogelijke risico’s ‘’zoals van een vloer kunnen vallen’’ voldoende worden voorkomen.

  • In het Bouwbesluit 2012, § 2.3.2. Bestaande bouw, artikel 2.23 (Aanwezigheid), lid 1 wordt omschreven, dat er bij een voor personen bestemde vloer gesproken wordt over een afscheiding, wanneer deze rand 1,50m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.
  • Er wordt daarnaast in § 2.3.2. Bestaande bouw, artikel 2.24 (Hoogte), lid 1 omschreven, dat een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 2.23, lid 1, een hoogte heeft van ten minste 0,90m, gemeten vanaf de vloer.
  • Aansluitend wordt in § 2.3.1. Nieuwbouw, artikel 2.20 (Overklauterbaarheid), lid 1 omschreven, dat een afscheiding of constructieonderdeel, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheid heeft tussen 0,20m en 0,70m boven een vloer.

CONCLUSIE

Deze praktijksituatie is, ondanks de opklimmogelijkheid, toegestaan volgens de wet- en regelgeving. De hoogte van de afscheiding is ≥ 0,90m boven de vloer, namelijk 1,34m. Daarnaast bevindt de opklimmogelijkheid zich op 0,73m boven de vloer, waardoor deze zich net buiten het ‘’gevarengebied’’ bevindt van 0,20m t/m 0,70m boven de vloer.